“Kinderen sterke wortels geven en stevige vleugels: daar komt het op aan.”

16/05/2019

FOCUS OP DE ALLERKLEINSTEN

Het is vast een understatement van jewelste als we zeggen dat Hilde Crevits drukke dagen beleeft. Op dit moment is de leading lady van CD&V nog minister van Onderwijs, straks wordt ze misschien de volgende minister-president. De kans op een wissel van de wacht is in elk geval niet onbestaande. Wij grepen de (ultieme?) gelegenheid om bij de minister te peilen naar haar beleving van de voorbije beleidsperiode. En we vroegen haar naar de ambities die een volgende ploeg zich moet stellen.

U bent nu bijna zes jaar minister van Onderwijs geweest. Hoe heeft u de afgelopen beleidsperiode ervaren?

“De voorbije beleidsperiode was heel intens, maar ook erg mooi. Onderwijs raakt iedereen. Alleen al voor het basis- en secundair onderwijs spreken we over meer dan 1,2 miljoen leerlingen en bijna 160.000 leerkrachten, ondersteuners en directies. En dan heb ik het nog niet over ouders, grootouders en al die mensen die kinderen dagelijks vergezellen en begeleiden in hun schoolloopbaan. Het brengt heel wat uitdagingen en zorgen met zich mee om voor zoveel mensen in een zo diverse omgeving te werken. Maar de energie en de creativiteit die het onderwijsveld uitstraalt, is een ongelooflijke drijfveer voor een minister van Onderwijs om er elke dag meer dan honderd procent voor te gaan.”

U heeft de voorbije jaren gesleuteld, gewroet, gevochten en soms ook het een en ander geslikt voor een kwaliteitsvol onderwijs in Vlaanderen. Wat is de rol van onderwijs en onze scholen in de toekomst?

“Die blijft gelijk aan de opdracht van onderwijs en onze scholen vandaag: ervoor zorgen dat onze kinderen en jongeren uitgroeien tot sterke en veerkrachtige persoonlijkheden, die met beide voeten in de samenleving en op de arbeidsmarkt staan. Waar het op aankomt? Kinderen sterke wortels en stevige vleugels geven.

Daarom zet onderwijs zowel in op kennisverwerving als op persoonlijkheidsvorming. De school moet een uitdagende, maar ook veilige en ondersteunende omgeving bieden, met een sterke leerlingbegeleiding en een zorgzaam schoolteam.”

Onderwijs staat, op zijn zachtst gezegd, niet stil. Wat zijn de recente uitdagingen voor leerkrachten, directies en beleid?

“Dat zijn er heel wat. Om maar te noemen: kwaliteitsvol onderwijs garanderen aan een steeds diverser publiek en in een maatschappij die almaar hogere verwachtingen stelt aan onderwijs en leerkrachten. Maar ook: een veilige en warme leeromgeving bieden aan leerlingen.

Wat dat concreet betekent? Het gaat erom ervoor te zorgen dat leerlingen het Nederlands goed beheersen om verder te kunnen groeien. Dat er stappen worden gezet naar een school die geen lesgeeft voor de gemiddelde leerling, maar die elke leerling stimuleert om het beste uit zichzelf te halen. Specifiek voor het secundair onderwijs denk ik aan de invoering van de modernisering én de nieuwe eindtermen vanaf 1 september. Maar ook aan de uitrol van het duaal leren. Daarbij geven we jongeren de kans om leren op school te combineren met leren in het bedrijf.

Al die dingen vragen heel wat van schoolteams. De leerkracht van vandaag kent dan ook behoorlijk wat uitdagingen. Het maakt de job boeiend en veeleisend. Met het beleid staan we voor de uitdaging om zorgzaam de hervormingen die we doorvoerden te volgen op het terrein en bij te sturen waar nodig. Ik denk bijvoorbeeld aan het M-decreet. We deden daarin al belangrijke aanpassingen en ik wil dat graag uitbouwen tot een echt begeleidingsdecreet dat zowel de leerling als de leerkracht voldoende ondersteuning geeft.”

Kan u een richtwijzer geven voor de pedagogische koers die het onderwijs volgens u moet varen?

“Dat is wel een heel bijzondere vraag. Voor mij is het net van belang dat de overheid het ‘wat’ bepaalt via de eindtermen, maar dat de schoolteams het ‘hoe’ – de pedagogische en didactische koers – bepalen. Leraren en schoolteams zijn het best geplaatst om keuzes te maken over wat er in hun school voor hun leerlingen het beste werkt.

Ik gruw van de gedachte dat er een ‘staatspedagogie’ zou ontstaan die in detail regelt hoe je de regel van drie uitlegt of wanneer je wel of niet een toets mag afnemen.”

De terminus is nog niet bereikt, maar laat ons zeggen dat het een goed moment is om even halt te houden. Wat is er al bereikt en waar is nog werk aan de winkel?

“We hebben deze legislatuur binnen onderwijs heel wat bakens verzet, op haast elk onderwijsniveau. Ik denk bijvoorbeeld aan de vele investeringen in scholenbouw, de nieuwe eindtermen, de lerarenplatforms, de nieuwe CAO, het opvangen van de asielcrisis en de gevolgen van de terreurdaden, de vernieuwing van de onderwijsinspectie en van het kwaliteitstoezicht in het hoger onderwijs, of de versterking van de lerarenopleiding.

Ik wil de scholen graag stimuleren om verder te groeien in hun eigen kwaliteitsbeleid. Niet door te gaan toewerken naar een centraal eindexamen, wel door extra in te zetten op schooloverstijgende proeven zoals die al bestaan in het basisonderwijs. Op die manier kunnen scholen hun eigen resultaten monitoren en bijsturen waar nodig. Ook onze uitgevers en hun handboeken spelen een belangrijke rol in het bewaken van die onderwijskwaliteit. 

Er is uiteraard nog heel wat werk te doen. In de komende legislatuur moet de focus op het basisonderwijs liggen. Voor mij moet de volgende legislatuur die voor de allerkleinsten zijn.”

U rondt binnenkort hoe dan ook een beleidsperiode af. Welke speerpunten zou een volgend bestuur naar uw mening moeten uitkiezen?

“Met CD&V hebben we een ‘tienkamp voor toponderwijs’ in Vlaanderen uitgewerkt. Ik pik er enkele disciplines uit waarin we willen excelleren:

  • We willen  kleuter- en lager onderwijs versterken, onder andere door een verdrievoudiging van het aantal kinderverzorgers. Sterke vleugels in het basisonderwijs zorgen voor hoogvliegers in het secundair.
  • We willen een taalcoach in elke basisschool die het taalbeleid op school stroomlijnt en zorgt dat elke leerling een ‘taalturbo’ krijgen. Want een goede beheersing van het Nederlands is voor ons niet alleen de sleutel tot goede schoolprestaties, maar ook tot een stevige plaats in onze samenleving.
  • We blijven investeren in scholenbouw. Tegen 2024 moet het niveau aan jaarlijkse investering met 500 miljoen euro stijgen.
  • We willen ook gepassioneerde talenten aantrekken uit andere sectoren om duaal lesgeven, deels voor de klas, deels in het bedrijf, mogelijk te maken. Daartoe willen we de ervaring die ze elders opdeden meer valoriseren.

We zullen in elk geval de komende jaren, vooral in het secundair onderwijs, veel extra leerkrachten nodig hebben. Het is belangrijk voortdurend een vinger aan de pols te houden over de werkbaarheid van een job in het onderwijs. Dan gaat het bijvoorbeeld over een goed loon, maar ook over werkzekerheid voor starters of landingsbanen voor oudere leerkrachten. Wat daar zeker ook voor nodig is, is een sterk team en directies die  krachtig leiding geven.”

DISQUS EMBED