Hoe humor brengen in de klas – ook al ben je niet humoristisch aangelegd

12/06/2019

WAT HUMOR DOET

Lijmmiddel

“Het woordje humor stamt uit het Latijn en betekent zoveel als ‘vocht’ of ‘sap’,” leert prof. dr. Paul Mahieu ons. “Humor is datgene wat ons doordringt, het bloed in onze aderen, het cement in onze muren. Noem het een sfeer. Humor helpt de dingen vloeibaar te maken, te ontdooien.”

Mahieu geniet sinds een jaar van zijn pensioen. Bij zijn emeritaat kreeg hij een boekje mee met herinneringen. Het legde een rode draad in zijn carrière bloot: oud-leerlingen en collega’s omschreven hem als een grappig man. Een erkenning, want wie doet lachen, heeft een gevoelige snaar weten te raken. Is het misschien daarom dat de grappigste leerkracht ook beter in het geheugen blijft plakken? En jaren later ook vaak het meest lijkt geïnspireerd te hebben?

“De krant De Standaard publiceerde een aantal jaar geleden een rubriekje ‘De leraar van’,” diept Mahieu daarover glimlachend op. “Een soort column, waarbij iedere keer een andere bekende Vlaming over zijn beste leerkracht mocht vertellen. Ik heb al die tekstjes geanalyseerd. En wat bleek? In de helft van de gevallen kwam het humoristische karakter van de leerkracht als uitgesproken kenmerk naar voren.”

Glijmiddel

Humor als snelkookrecept voor populariteit. Maar zo eenvoudig is het recept natuurlijk niet. Want humor op zich is niet altijd even makkelijk. En uiteraard is er meer nodig dan een billenkletser van tijd tot tijd om een band te scheppen tussen leerkracht en leerling. Eerder dan een wondermiddel is humor een glijmiddel.

Een van de allerbelangrijkste kwaliteiten van humor, zo wijst de expert-door-kennis-en-praktijk aan, is dat het een sfeerschepper is. “Sommige leerkrachten beginnen elke les met een mopje. Dat is geen slecht systeem. Het haalt de elektriciteit uit de lucht. Zo werkt het bijvoorbeeld ook in de operatiekamer. Daar wordt naar verluidt heel wat afgelachen. Humor neemt contraproductieve spanning weg en creëert een sfeer van wederzijdse erkenning.”

De lach en de lagg

Intussen al een jaar of tien geleden – time flies when you’re having fun – schreef Mahieu een boekje getiteld De school, de lach en de lagg. Het bevatte essays en cases over de verschillende functies en verschijningsvormen van humor. Want naast onschuldige woordspelingen en smakelijke gelegenheidshumor zijn er natuurlijk ook: de punaise op de stoel van de leerkracht, racistische moppen in de leraarskamer, grapjes met sarcastische ondertoon over iemands persoon of uiterlijk. Als een grap de bedoeling heeft – of geïnterpreteerd kan worden – als een manier om iemand te kwetsen, dan belanden we aan de spiegelzijde van humor.

Wanneer ga je als leerkracht te ver? Welke mopjes mag je maken in de klas en welke niet? “Veel hangt af van de context en de onderlinge verstandhouding,” laat Mahieu de vraag in het midden. “Ik heb nog nooit een Marokkaan zo hard horen lachen in een cursus van mij als toen ik vroeg: ‘Wat is het tegenovergestelde van een Marokkaan?’ Weet jij het? Nee? Pabroekuit!”

Hilariteit alom in de hele klas, kijkt de docent smakelijk terug. “Geen enkel probleem met zo’n ‘allochtonenvariant’ op de klassieke Belgenmop. Het enige wat je met deze doelgroep niet moet doen, is lachen met de profeet. Dan betreed je, wat hen betreft, het terrein van wat ikzelf de ‘lagg’ heb genoemd en de Britse onderwijssocioloog Paul Willis de ‘laff’: de negatieve keerzijde van de ‘lach’ en de ‘laugh’.”

Een vermakelijk recept

“Allereerst moet je humor gebruiken om je leerlingen in hun waarde te erkennen,” vat Mahieu samen. “Niet om hen af te breken. Geslaagde humor heeft alles te maken met kennis van je doelgroep en acceptatie van die doelgroep. Dan rest je alleen nog te zoeken naar de juiste toon en een onderwerp dat ‘pakt’. Dat zijn grenzen die je zelf – al doende lerend – moet aftasten.”

Wij ontlokten de professor nog enkele ingrediënten om het recept – in een luchtige mix – weer samen te stellen.

  • Laat jezelf toe te scoren

“Wat leerlingen grappig vinden, hangt onder meer af van hun leeftijd en referentiekader. Weet in de eerste plaats voor wie je mopjes bestemd zijn. Gebruik ze in een omgeving waarvan je weet dat die ze zal appreciëren.

In het ASO zal je bijvoorbeeld een ander soort humor moeten hanteren dan in het BSO. Daar is onderzoek naar gedaan in Nederland. Leerlingen uit het VWO – dat komt overeen met ons ASO – bleken veel beter te kunnen omgaan met ‘raadselgrappen’ dan leerlingen uit een BSO-studierichting.

‘Waarom kan een hond met één oog niet eten? Omdat hij met zijn mond eet.’ (haha)

‘Waarom houden Hollanders van Belgenmoppen? Omdat ze zo goedkoop zijn.’ (haha bis)

Dat soort grapjes, dat gebruikt maakt van lexicale ambiguïteit, wordt door leerlingen uit het ASO makkelijker begrepen en verwerkt. In het beroepsonderwijs werken de meer klassieke, directe moppen beter.”

  • Speel met didactiek

“Humor kan helpen om abstracte begrippen concreter te maken. Verduidelijk je in de klas een theoretisch concept met een grappige anekdote, dan zal dat bij leerlingen makkelijker blijven hangen.

Ik zal nog een voorbeeldje geven uit mijn eigen lespraktijk. Het college Kennismanagement was nogal abstract gedoe, waarbij ik verschillende concepten moest onderwijzen elk met hun specifieke nuance. Ik heb die concepten benoemd als de ‘MAHIEU-cirkel’. Iedere letter van mijn naam stond voor een bepaalde kapstok: Measure, Analyse, Handle, etcetera.”

Geen humor om plat van op de buik te gaan, geeft Mahieu toe, maar wel een geestige Spielerei met woorden om het geheugen een zetje te geven. “Bovendien, wat mooi is aan dat soort humor: het heeft iets zelfrelativerends.”

  • Neem jezelf niet te serieus

Wat ons meteen bij een volgende tip brengt: humor die enige zelfrelativering in zich draagt, klinkt doorgaans sympathiek in de oren. “Ik herinner me mijn leerkracht aardrijkskunde uit het middelbaar onderwijs. Maes, was zijn naam. De hele school noemde hem ‘De Pis’. Hij cultiveerde zijn bijnaam door in de klas elk jaar opnieuw hetzelfde zinnetje te herhalen, namelijk dat ‘de afwatering van de Maas zeer traag verloopt.’”

“Bijnamen hebben trouwens meestal wel die humoristische bijklank,” duidt Mahieu. “Of je daar als leerkracht altijd mee moet kunnen lachen? Liefst wel! Anders krijgt humor iets zuur.”

  • Haak gevat in op de les

“Wat diezelfde leerkracht aardrijkskunde ook erg goed kon, was het thema of de inhoud van de les gebruiken om humoristisch mee aan de slag te gaan. We hadden een keer alle namen op de landkaart van plaats verwisseld. Daar maakte hij dan zijn eigen verhaal rond. Of als de les over Groot-Brittannië ging, dan schakelde hij over op Britse humor. Dan ben je een krak, als je dat kan doen, je humor aanpassen aan het lesmateriaal.

Een taalles leent zich daar misschien beter toe dan een les wiskunde. Maar ik heb ooit een school gekend die een wiskundedag organiseerde onder de naam ‘p-dag’. In elke les werd er een initiatief georganiseerd dat met p/pi begon. De turnleerkracht ging bijvoorbeeld piramides bouwen. Leuk gevonden, toch?”

  • Omarm de omstandigheden

“Humor ligt overal voor het grijpen. Je moet het gewoon willen zien. Ik heb ooit het zinnetje ‘En toen zag hij plots het licht’ uitgesproken tijdens een college, waarop prompt het licht in de zaal uitviel. Dat zijn bijzonder dankbare situaties om iets mee te doen. Onverwachte omstandigheden zijn geen straf, maar een opportuniteit.”

  • Humor als ‘show off’ voor creativiteit

“In de klassieke logica ga je van punt a naar punt b, om dan met c te besluiten. Humor doorbreekt die logica. Analyseer de eerste de beste mop en je ziet het meteen. Humoristisch bezig zijn, is creatief bezig zijn. Durf jij als leerkracht een staaltje van je creatieve kunnen te tonen, dan stimuleert het je leerlingen misschien ook wel om hun gewone denkpatronen te doorbreken.”

  • Gebruik de media om je heen

“Om humor te produceren, hoef je niet uitsluitend een beroep te doen op je eigen talenten. De nieuwe media bijvoorbeeld zijn vandaag een encyclopedie van beeldende humor. Jouw leerlingen doen niets anders dan op sociale media geestigheden uitwisselen. Waarom er dan ook geen gebruik van maken? Of laat leerlingen zelf creatief zijn met hun eigen media. Humor hoeft voor een leerkracht echt geen vermoeiende bezigheid te zijn.”

TALENT VOOR HUMOR

Saai is ook oké

Tips genoteerd. Maar wat als ik, na het lezen ervan, bij mezelf denk: god, dat soort van leerkracht ben ik niet. Ik ben er helemáál niet voor gemaakt om de grapjas van de klas te zijn. Heb ik dan een probleem? “Nee, natuurlijk niet,” lacht Mahieu. “Als je het niet kan, doe het dan ook gewoon niet. Dat zou te gek zijn. Je kan humor wel een beetje trainen, maar zit het absoluut niet in je bloed, doe dan geen onnozele pogingen om toch grappig te zijn. Wees dan maar gewoon de saaie. Daarin kan trouwens ook best humor schuilen.”

“Zoek uit welk soort humor bij je past,” raadt de onderwijswetenschapper aan. “Durf experimenteren en – waarom niet – de mist ingaan. En nog een tip: hou je geslaagde moppen bij. In een boekje bijvoorbeeld. Georkestreerd? Nu ja, wat dan nog? Ik zie het probleem niet. Die moppen zijn ooit spontaan ontstaan. En als ze werken, dan wérken ze. Waarom zou je ze dan niet hergebruiken?”

Humor in de schoolcultuur

Een niet onbelangrijke kanttekening in de marge: humor in de klas is maar mogelijk als ook de visie van de school humor toelaat. “Mijn advies aan directies? Breng wat meer humor binnen in de schoolcultuur. Maar doe het wel bewust,” voegt Mahieu grinnikend toe. “Ik heb ooit een directeur op een jaarlijkse pedagogische studiedag tegen zijn lerarencorps horen speechen: ‘Beste mensen, vorig jaar stonden we voor een diepe afgrond. Dit jaar hebben we een mooie stap voorwaarts gezet.’” (lacht)

 “Wil je als directie bewúst humor binnenbrengen in je school,” besluit de onderwijsexpert, “doe er dan ook iets concreets mee: verwerk humor in je website en in je algemene communicatie, laat leerlingen mopjes vertellen in de schoolkrant, organiseer initiatieven met een humoristische toets. Hou je het liever saai? Ook prima, als dat beter past bij je imago. Maar als er in de leraarskamer mag gelachen worden, dan moet je dat naar mijn mening cultiveren én exploiteren.”    

DISQUS EMBED