Stand-up comedian Piv Huvluv: “Er moet dringend meer geld komen voor het onderwijs.”

12/06/2019

POSITIVITEIT IN HET LAGER ONDERWIJS

Het is acht jaar geleden dat Jan Catrijsse als onderwijzer voor de klas stond, maar de laatste maanden kwam hij opnieuw in veel scholen. En wat hij daar ziet gebeuren, stemt hem hoopvol voor de toekomst.

Jan Cattrijsse: “Ik heb de laatste maanden veel try-outs gedaan in West-Vlaamse basisscholen. Geen enkele leerkracht die ik ontmoette, stond tegen zijn zin voor de klas. In het lager onderwijs hangt er een hele positieve sfeer, zeker in manier waarop leraren omgaan met kinderen. En dat vind ik bewonderenswaardig, want die leerkrachten hebben het echt niet altijd gemakkelijk.”

De moeilijkheden waar Jan op doelt, zijn de extra druk van vergaderingen en de planlast. Die was acht jaar geleden al groot en is nu alleen maar toegenomen, vindt hij.

“Ik herinner me de leerlingvolgsystemen”, vertelt Jan. “Dat waren toen zes uitklapbare papieren die je in verschillende kleuren moest aanvullen. Voor elke categorie had ik een ander kleurpotlood nodig. Pas op, ik snap dat zo’n leerlingvolgsysteem vanuit heel goede bedoelingen ontstaat: leerkrachten en begeleiders willen op een visuele manier tonen wat het kind allemaal kan. Maar de inspanning die je daarvoor als leerkracht moest doen, was buiten proportie. Eigenlijk kon je dat allemaal in een halve minuut tegen je collega vertellen.”

PLANLAST EN PROCESSEN

Die planlast vindt Jan een van de grootste problemen in het onderwijs. Hij begrijpt wel de noodzaak ervan, zeker nu er meer en meer geprocedeerd wordt en scholen zichzelf en hun leerkrachten willen indekken.

Jan: “Scholengemeenschappen, onderwijskoepels of pedagogisch begeleiders zoeken methoden waarmee ze kunnen aantonen dat ze het beste voorhebben met de leerlingen. Ik heb zelf een moeilijke situatie meegemaakt tijdens het laatste jaar dat ik lesgaf. In mijn klas zat er toen een leerling met ASS, die zware gedragsproblemen had. De ouders wilden hun kind met alle middelen in het reguliere onderwijs houden. Maar dat was echt onmogelijk. We hebben veel gesprekken gevoerd met de ouders – samen met begeleiders en experts – om hen proberen duidelijk te maken dat hun kind beter zou passen in het buitengewoon onderwijs. We hebben alles gedaan wat we konden, maar die ouders wilden niet luisteren, ook niet naar de deskundige uitleg. Ik gaf toen les in een duobaan en mijn collega is er toen bijna onderdoor gegaan. Inclusief onderwijs is fantastisch, maar daar moeten leerkrachten wel voldoende in ondersteund worden.”

MEER GELD VOOR HET (LAGER) ONDERWIJS          

Jan: “Tijdens datzelfde jaar kreeg ik ook hulp van een GON-begeleider. Dat was echt nodig. Als ik een toets wilde doen, moest ik daar soms wel vijf verschillende versies van maken. Want er zaten twee leerlingen met dyslexie in de klas, een slechtziende en twee die op een andere manier ondersteuning nodig hadden. De GON-begeleider zorgde er dan voor dat elke leerling een aangepaste toets kreeg, want ik had echt geen tijd om die te maken: tijdens de middag deed ik speelplaatstoezicht, na de lesuren waren er vaak vergaderingen. Ik kreeg het niet allemaal alleen gedaan.”

Voor Jan is het duidelijk: het onderwijs – en zeker het lager onderwijs – heeft extra middelen nodig. De basis van het probleem zit ‘m in de berekening van het aantal lestijden, vindt hij.

“De verdeling van de lestijden van een volgend schooljaar is gebaseerd op de leerlingentelling op 1 februari van het huidige schooljaar. Als school moet je met die lestijden alle lesuren kunnen regelen, maar soms gaat dat gewoonweg niet en moeten er keuzes gemaakt worden. Op de school waar ik lesgaf, besliste de directie om een voltijdse lesopdracht te schrappen. Een leraar minder, maar 24 lestijden meer om leerlingen te ondersteunen. Het gevolg daarvan? De geschrapte lesopdracht was die van een turnleraar en de leerkrachten gaven daarom zelf zwemlessen aan de leerlingen. De groepen werden ook groter: we waren nu met drie verantwoordelijk voor al die kinderen, niet met vier. Pas op, dat was niet zo’n grote opgave. We gingen sowieso al mee naar het zwembad, als begeleider. Maar het toont wel aan dat scholen soms moeilijke keuzes moeten maken omdat de middelen die ze krijgen niet toereikend zijn. Dat moet echt veranderen. Ik heb nooit willen staken voor loonsverhogingen, maar ik heb wel altijd gezegd dat ik op straat zou komen als daardoor de middelen voor het onderwijs omhoog zouden gaan.”

LEERPLICHT VERLAGEN EN OUDERS BETREKKEN

De laatste weken hadden politici de mond vol over onderwijs. De meeste partijen zijn het erover eens dat er meer geld naar het onderwijs moet gaan. En daar is Jan blij mee. Maar niet alle problemen in het onderwijs kun je oplossen met meer geld.

Jan: “Er wordt vaak gesproken over de achterstand van leerlingen in het secundair onderwijs. Dat heeft volgens mij te maken met een achterstand die die kinderen al opliepen in de lagere school. Die krijg je niet zomaar weg gewerkt. Daardoor halen sommige kinderen de eindtermen niet meer, maar stromen ze wel door naar het secundair onderwijs, en komen ze daar terecht in een 1B-jaar.”

“Daarom vind ik het een goed idee om de leerplicht te verlagen naar vijf jaar. Scholen willen alle instromers laten doorstromen. Om dat te bereiken, moeten scholen de kinderen vroeger kunnen begeleiden én ook de ouders betrekken. En daar wringt soms het schoentje. Want als die ouders geen Nederlands spreken, is het voor hen moeilijk om betrokken te zijn bij de school van hun kind. Ze kunnen hun kinderen ook niet helpen met schoolwerk en sociaal contact is lastig. Het gevolg: er is een grotere kans dat die kinderen een achterstand oplopen. Eigenlijk zou er een samenwerking moeten bestaan tussen verschillende diensten in een gemeente, die helpt om kinderen hun weg te vinden in de samenleving. Als ouders daaraan niet willen meewerken – en Nederlands leren – moet er druk op hen gelegd worden. Ze moeten dan weten dat het heel moeilijk wordt, voor hen en voor hun kinderen.”

Volgens Jan is het de grootste moeilijkheid om al de neuzen van die verschillende culturen in dezelfde richting te krijgen. “We moeten mekaar kunnen begrijpen en kunnen samenleven,” zegt hij. “Als ouders de trein missen, moeten ze zich bewust zijn van de gevolgen. Armoede en werkloosheid loeren dan achter de hoek. Zoals Bart Somers in Mechelen op alle niveaus probeert mensen te helpen en te stimuleren, zo zou dat overal moeten kunnen. Dat kost veel energie en geld, maar wat als we het niet doen? Leerkrachten kunnen niet alle problemen oplossen.”

LERAREN ZIJN IDEALISTEN

Jan: “Ik heb de laatste tijd veel scholen bezocht en de meeste leerkrachten steken heel wat tijd in hun leerlingen. Dat loont, maar soms is het zwaar. Leerkrachten zijn idealisten. Als je niet lesgeeft vanuit idealisme, hou je dat niet vol.”

“De instroom van nieuwe leerkrachten moet divers zijn en blijven, maar het niveau van de lerarenopleiding mag daar niet onder lijden. Iedereen zal aan dezelfde eisen moeten voldoen. Nu, dat riedeltje van ‘tegenwoordig trekken de stagiairs of beginnende leerkrachten op niks meer’, speelde al toen ik afstudeerde. Dat is niet nieuw, en ik heb niet het gevoel dat het niveau van leerkrachten nu lager is dan vroeger. Als ik de leerkrachten voor ogen houdt van de klassen die ik de laatste maanden bezocht heb, ben ik hoopvol voor de toekomst van ons onderwijs.”

Om af te sluiten geeft Jan nog graag een tip aan (beginnende) leerkrachten: “Probeer het noodzakelijke te onderscheiden van de bijzaken. Dat zal je al wat planlast besparen.”

DISQUS EMBED